Ergens halverwege ’t leven kom je soms een vage bekende tegen
Die je even meeneemt terug naar toen
Een speldenprik, een schop tegen je schenen
Een windvlaag ruimt de sluiers als spinrag van de ziel
Want ‘toen’ dat is geleden in ’t verleden en vergeten
Weggestopt op zolder onder ’t stof
Een beeld, een boek, een foto, je elpees en je cassettes
Je gedachten ordenen zich als vanzelf
Een groet, tabee, tot zien, vaarwel, ik ken je wel
Maar ik weet niet meer van wat of waar of wie dan ook
Dan slenter je weer verder langs glimmend gladde straten en gekasseide kaden
En zo als wel vaker doelloos doelbewust
Want waarnaar leidt de weg die zich vertakt in duizend routes
Duizenden dagen in alle lagen van de tijd
Want waarnaar leidt de weg die zich vertakt in duizend routes
Miljoenen dagen in alle lagen van de tijd
